‘Opdat wij niet vergeten.’

 

Ervaring 1940-1945, opgetekend door
Wouter Schoemaker (1922-2012)
en weergegeven door zijn zoon
Hendrik Schoemaker (1961)

Het is 1 december 2014, een winterdag in vredestijd. Ik zit in de woonkamer aan het buro en neem wat papierwerk van mijn 2 jaar eerder overleden ouders door.
Ik ben de papieren wat aan het nazien, maar ook gericht naar iets op zoek. Een vel papier waar een verhaal aan was toevertrouwd.
Als kind hebben we geluisterd naar dit verhaal en zo’n 15 jaar geleden heb ik aan mijn vader gevraagd of hij het op papier wilde zetten. Dat is toen gebeurd en het is daarna veilig opgeborgen. Nu was ik er naar op zoek. En…jawel, daar was het.
Mijn gedachten stopten even, net als de handeling die ik aan het uitvoeren was. Boven aan de brief stond de datum van de gebeurtenis:
1 December 1944. Het is nu 1 december 2014, exact 70 jaar later komt het verhaal mij onder ogen. Ik zit daar even een moment over na te denken. De zelfde dag, dus het zelfde seizoen. Zelfde tijd tussen zonsopgang en zonsondergang. Zelfde licht, zelfde schaduwval en nog wat van die zaken. Ik zit er gelijk midden in.

Maar het meest verbluffende vind ik nog de datum, precies 70 jaar nadat het is gebeurd heb ik het verhaal in handen, onder ogen.
Het is een verhaal, zoals je er meer van tegenkomt uit die tijd. Leven in een tijd waar je helemaal niet je zelf kon zijn.
Waar je moest leven met tekorten, wantrouwen en ongerechtigheid. Opgejaagd zijn, gebonden en omgaan met respectloos gedrag.
Uit die tijd 1944, komt dit verhaal. Het verhaal waar de naam van mijn vader onder geschreven is, alhoewel het niet een verhaal is wat op zichzelf staat: er zijn vele Nederlanders die dergelijke situatie’s hebben meegemaakt. Het heeft paralellen met andere gebeurtenissen uit die tijd, de jaren 1940-1945.

Maar eerst gaan we even naar 26 Februari 1945, enkele maanden voor de bevrijding van Noord Nederland. De zuidelijke provincies zijn al bevrijd. De Duitsers verliezen op alle fronten en nu de hongerwinter op zijn einde loopt, kijkt heel Nederland reikhalzend uit naar het licht aan de horizon, de Bevrijding.
In de lucht zijn de geallieerden oppermachtig, er is geen Duits luchtoverwicht meer. Geallieerde vliegtuigen doorkruisen het Nederlandse luchtruim. Zo ook op die genoemde 26ste Februari. Een toestel van 541 Squadron, dat zijn basis heeft op het R.A.F vliegveld Benson in Groot Britannie, is eerder die dag opgestegen met als opdracht om een fotosessie te maken over Noord-Holland. En zo gebeurt het dat het toestel om ongeveer 14.40 uur over Andijk vliegt en de situatie in oorlogstijd vastlegd op een fotorol.
Foto: http://mapserver.library.wur.nl/cache/184_16_3110.png

Nu het verhaal van mijn vader:


1 December 1944. Door het oog van de naald.
Het is een koude gure winterdag in oorlogstijd en het loopt naar de avond die vroeg invalt.
In de schaars verlichte ruimte van het zaadpakhuis van Ruiter’s zaden aan de Horn wordt de laatste hand gelegd aan de te verzenden zaden. Een vrachtauto van de firma de Vos zal zo dadelijk komen en de zending vervoeren naar de haven van Medemblik, waar een schip klaar ligt voor het vervoer over water naar Bodegraven. Het is een zending die bestemd is voor de Nederlandse tuinders, om die in het voorjaar uit te zaaien. Het grootste deel bestaat uit bonen en erwten.
We leven in een tijd waarin de bezetter alles rooft wat hem maar voor de voeten komt. En het is de bedoeling dat deze zaden uiteindelijk ten goede komen van de Nederlandse bevolking. Maar de bezetter is ook hevig geïnteresseerd in voedsel.
Een deel bestaat uit spinazie scherpzaad wat geen direct voedsel is en scherpe punten heeft.
Om de indruk te geven dat er alleen maar spinaziezaad wordt vervoerd, is achter op de auto en over de gehele lading heen zakken van dit spinazie scherpzaad gelegd zodat de erwten en bonen er onder verscholen zijn. Bij een eventuele controle van de bezetter blijven de andere zaden verborgen. Om een uur of vijf is de wagen geladen en gaan we op weg [dhr. H.Ruiter, dhr. de Vos en dhr. W.Schoemaker red.] Het is een auto met een gasgenerator [deze generator wekt gas op door hout of kolen te verhitten, dit is noodzakelijk omdat er geen benzine te krijgen is red.] en de rit gaat hortend en stotend. Bij zogenaamde ‘kluchten’ komt hij moeilijk op hoogte. En we zeggen tegen elkaar ‘Hij heeft het weer gered’.

Het gaat goed en we komen de stad Medemblik binnen en koersen naar de haven en willen de sluis passeren.
Maar daar gloeit plotseling op het midden van de weg een rode lantaarn op. Het stopteken van de bezetter, die hier bij de sluis een wachtpost heeft.
We stoppen, en het portier wordt opengemaakt door een soldaat. Hij vraagt naar de inhoud van de wagen en het doel van de reis, en naar de papieren. Op de vraag naar de inhoud van de wagen antwoordt de Vos: ‘Spinaziezaden’. Men wil dit toch controleren en een soldaat kruipt de laadbak in. Het scherpe spinaziezaad steekt door de zakken heen en hij voelt dat ook aan de lijve. Inmiddels vragen andere soldaten naar onze papieren en naar ons persoonsbewijs. Prompt worden die getoond. De papieren worden meegenomen naar het wachtlokaal voor controle. De soldaat komt terug en dan komt de vraag naar onze ‘ausweis’. Dat is een bewijs van vrijstelling van werken in Duitsland. Deze kon je aanvragen bij de bezetter, maar dan werd je meteen ingeschreven en kunnen ze je elk moment oproepen voor werk in Duitsland. En dat papier heb ik niet. Ik ben in feite een ‘onderduiker’ [mijn vader is geboren in 1922 red.] die, als je wordt opgepakt via een kamp alsnog naar Duitsland wordt gestuurd. Dus ik zit in de val. Ik kan dat papier niet tonen, maar ik zeg tegen de soldaat dat ik dat ding thuis heb liggen.
En aangezien ik weet hoe het er uitziet kan ik hem dat uitleggen. Maar na overleg met de commandant moet ik toch mee. Ik word gearresteerd en verdwijn in het gebouw, de Vos en Herman Ruiter verbouwereerd achterlatend. Zij kunnen met de lading verder rijden naar het schip dat even verderop ligt. Ik word meegenomen naar het wachtlokaal. In het vertrek worden de gordijnen door een soldaat gesloten, en word ik gefouilleerd. Een aantekenboekje met namen van bonenlezers [destijds voornamelijk thuiswerk, waarbij de bonen werden ontdaan van beschadigde exemplaren en vuil red. ] word me afgenomen en verdwijnt naar een ander vertrek.
Wat mijn geluk is, ik had vaak een fotootje bij me van de prinsesjes die in Canada verbleven, maar had die toen niet bij me. Na een poosje komt de commandant binnen met het zakboekje en vraagt me wat die namen betekenen. Ik kan hem dat uitleggen, hoewel ik de Duitse taal niet machtig ben.

En dan klinkt tot mijn stomme verwondering plotseling de barse stem van de begeleidende soldaat: ‘Raus’.
Ik krijg mijn spulletjes weer terug. Wat er dan allemaal in me omgaat weet ik niet, maar het lijkt me het beste om het bevel zo snel mogelijk uit te voeren. Ik ervaar het als een wonder. Vrijgelaten worden terwijl je toch voor de bezetter geen geldige papieren bezit.
En dit met gevangenschap voor ogen.
Waarom? Ik weet het niet. [Later heeft hij aan zijn broer verteld dat hij een schop kreeg van een nijdige soldaat toen hij werd vrij gelaten red.]
En zo sta ik dan weer buiten.
In het stikdonker, verlichting brandt er niet. In een totaal onbekende omgeving.
Ik ga lopen, en gelukkig in de goede richting. Dan kom ik bij de kade waar het schip is afgemeerd, waar ik met ongeloof en verbazing word aangestaard.
Dit had men niet verwacht. Maar we zijn hier om het schip te laden. En we moeten voor 8 uur thuis zijn. Het laden gaat vanaf de auto, een zak op de nek en via de loopplank het schip in.
En toen het tweede wonder. Terwijl ik met zak op de nek de loopplank oploop breekt de loopplank onder me in tweeën. Ik ben tussen wal en schip, maar weet toch met een ‘reuze-sprong’ op de wal te springen.
Het laden verloopt verder vlot en we zijn die avond voor spertijd, 8 uur, weer thuis. Dan breekt wel de reactie uit, want het was ‘kantje-boord’.
Maar ik ben tot tweemaal toe wonderlijk bewaard.

Wouter Schoemaker Hendrikzoon


Zoals gezegd staat dit verhaal niet op zichzelf. Het is niet gebonden aan tijd en plaats.
Mijn vader mocht die avond weer naar huis gaan waar (zoals hij schrijft) de reactie uitbreekt. In het avondgebed zal vast en zeker de dankbaarheid zijn uitgesproken. Velen keerden niet naar huis. Ieder voor zich kan bedenken dat, mocht je in deze situatie terecht komen, je onder enorme druk komt. Op dat moment komt de vrijheid, die toch al ingeperkt is, hevig in het gedrang. Wat moet er door hem heen gegaan zijn …
Te denken valt aan woorden van: “Het is gebeurd, ze hebben me te pakken! Ik voorzie een transport naar Duitsland om daar te moeten werken.” De Vrijheidswens is dan de enige wens waar je aan kunt denken. Zonder vrijheid wordt al het andere in de schaduw gesteld. Dat zal mijn vader zich op dat moment zeker hebben gerealiseerd.

70 Jaar terug eindigde de bezetting. Vandaag, 4 Mei, herdenken wij deze tijd en eren we hen die hun leven hebben gegeven voor onze vrijheid. We kijken straks over vandaag heen naar morgen waarop we ons 70ste bevrijdingsjaar mogen beleven en vieren.
Herdenken en Vieren….opdat we niet vergeten.

Hendrik Schoemaker Wouterzoon

Andijk, 4 mei 2015, bovenstaande tekst is voorgedragen tijdens de herdenkingsdienst voorafgaande aan de 2 minuten stilte en de kranslegging op het André Voltenplein.
Herman Ruiter: zoon van eigenaar G.Ruiter, Ruiter’s Zaden Andijk (nu Holland-Select Zaden).
dhr. de Vos: Vrachtrijder destijds wonend in Andijk.
Wouter Schoemaker: Werknemer Ruiter’s Zaden, secretaris ‘Onderduikers-commissie Andijk’.
Van zijn hand is het boek ‘Moment voor Monumenten’ dat gaat over de geschiedenis en de totstandkoming van de
monumenten, met betrekking tot Andijk en de Andijkers.
Uitgegeven door de Stichting Oud Andijk, september 2002.
Uitgeverij Pirola, Schoorl.
ISBN: 90 6455 390 4